Van stuurloze groei naar geldloze bloei
(Aanzetten tot een samenleving waarin niemand ruilt en iedereen deelt)
De wereld verkeert in een ongeëvenaarde crisis en wij mensen zijn daar zelf debet aan. Dit besef dringt steeds meer door maar leidt niet tot gepaste maatregelen. We zijn eerder bezig de boel te verergeren. Nu eens ontbreekt het aan wil, dan weer aan daadkracht. Het gros van de plannen schiet tekort, raakt verwaterd, mist draagvlak of komt gewoon te laat. De crisis is daarom primair een bestuurscrisis.
Bouwstenen
De wortels ervan liggen diep. Onder meer in de bestuurseenheden, ofwel ‘bouwstenen’, van de huidige wereldorde. Filosoof Jeroen Hopster stelt de vraag of we nog moeten vasthouden aan landsgrenzen, dus de natiestaat als bouwsteen (Filosofie Magazine, 19-03-2025). Tegenstanders vinden dat een statenstelsel leidt tot verzwakking van internationale samenwerking en pleiten daarom voor een wereldregering. Voorstanders van landsgrenzen menen dat een land nu eenmaal een geografisch territorium vereist vanwege haar recht op zelfbeschikking. Voor beide standpunten valt iets te zeggen, maar beide stellen in de praktijk zwaar teleur. Enerzijds lukt het de VN maar niet een soort supranationale regering te worden omdat zij, zo constateert rechtswetenschapper Antara Haldar, blijft ‘vastzitten in een natiestatenkader waarin landen hun soevereiniteit angstvallig bewa-ken’ (De Groene, 24-03-2025). Hetzelfde geldt voor de EU. Al dat soevereinisme verhindert volgens politicoloog Jan Zielonka de aanpak van ‘de grote problemen van deze eeuw’ (NRC, 07-11-2025). Anderzijds zijn natiestaten veelal niet bij machte of zelfs maar geïnteresseerd hun zelfbeschik-kingsrecht te beschermen tegen andere natiestaten of allerlei multinationale ondernemingen. Hierdoor komt dat recht feitelijk neer op een privilege dat binnen en tussen staten zeer ongelijk is verdeeld.
Het bestuur van democratieën
Dit betreft ook de staten die zich een democratie noemen. Dat democratieën, zowel binnen als buiten parlementen, eveneens grote bestuurlijke tekortkomingen vertonen, is extra opmerkelijk aangezien de democratie van alle bestuursvormen de belofte van rationaliteit (één van de ver-lichtingsidealen) nu juist het hoogst in het vaandel draagt. Democratie gaat uit van de op zich gerechtvaardigde aanname dat besluitvorming gebaseerd op consensus of (indien dat onhaalbaar blijkt) een meerderheid van stemmen, meest rationeel is. Maar dan dienen die stemmen qua ge-wicht, ofwel macht, liefst zoveel mogelijk gelijk te zijn. En daar gaat het, zelfs in de meest bejubelde democratieën, fundamenteel fout. Behalve dat veel betrokkenen (als ze al een stem hebben) hun stem niet kunnen of willen uiten, zijn stemmen zeer ongelijkwaardig. Onder numerieke machtsver-schillen gaan andere en veel bepalender verschillen schuil, met name financieel. Arme stemmen (variërend van individuen tot hele continenten) hebben meestal slechts enige getalsmatige macht. Rijke stemmen (miljardairs, banken en aandeelhouders voorop) steunen daarnaast op een goed betalende of goed betaalde aanhang. Met veel geldgerinkel, ongeacht hoe (on)hoorbaar, zetten rijken een ‘democratie’ naar hun hand. Zelfs zodanig dat armen veelvuldig worden verleid tot (stem)gedrag waarvan zij veel voordeel verwachten maar dat, ook als die verwachting klopt, hun machtsachterstand op rijken verder vergroot.
Argumenten en stemaantallen blijken in de democratische praktijk ondergeschikt aan financiële machtsverschillen die bovendien nauwelijks worden betwist. Zelfs de excessen oogsten eerder bewondering dan kritiek. Deze algehele acceptatie van machtsverschillen is het resultaat van oeroude verdeel-en-heers-technieken. Tegenwoordig stoelen die vooral op verschillen in arbeidsloon en op een voortdurende indoctrinatie met het meritocratische idee dat iemands succes of falen enkel een gevolg zou zijn van eigen prestaties c.q. een gebrek daaraan. In ‘De tirannie van verdienste’ (2020) legt politiek filosoof Michael Sandel haarfijn uit hoe irrationeel dat idee eigenlijk is. Desondanks neigen onze democratieën steeds meer naar machtsconcentratie in plaats van machtsspreiding en krijgen zogenaamd ‘sterke’ (geo)politieke leiders gevaarlijk veel aandacht en bevoegdheden.
Ook van een andere democratische belofte, die van geweldloosheid, komt bitter weinig terecht. Weliswaar heeft onze westerse ‘beschaving’, zoals beschreven door de Duitse socioloog Norbert Elias, de omgangsvormen onder individuen en naties aanzienlijk verfijnd (‘Het civilisatie-proces’, 1939). Maar geweld, inclusief geweldsdreiging, blijkt allerminst verdwenen. Het treft, gemaskeerd of juist volkomen schaamteloos, met name de meest weerloze personen, groepen en volken of, nog wat weerlozer, allerlei niet-menselijke levensvormen. Bovendien heeft de vernieti-gingskracht van wapens en andere levensbedreigende technologieën een ongekende maar tegelijk zeer ongecontroleerde vlucht genomen. Met alle veiligheidsrisico’s van dien.
Het bestuur van natiestaten
Bij de vorming en omvorming van natiestaten is democratisering zelfs niet eens een intentie. De opdeling van de wereld in staten met elk een eigen geweldsmonopolie is niet bepaald het resultaat van een planmatig en breed gedragen ontwikkelingsproces. Wel van een met veel geweld gepaard gaande strijd tussen politieke elites. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de geschiedenis van voormalige kolonies of de recente oorlog in Oekraïne. Ook blijkt het uit de geografische en demografische omvang van natiestaten. Het proces van staats(om)vorming leidt tot dusdanig grote staten dat de democratie al bij voorbaat geschaad wordt. De moderne natiestaat als soevereine bestuursvorm voor relatief grote gebieden vergt een extreem strakke, centralistische, hiërarchische en logge structuur van subgebieden met een zeer indirecte, dus weinig representatieve, democratische be-sluitvorming. Zoiets is niet bevorderlijk voor het ontstaan van medezeggenschap, de vorming van gemeenschappelijke waarden en het spreiden van macht, of hooguit in nationalistische zin. Wel bevordert het een afkeer van besluiten genomen door ‘Den Haag’ en meer nog ‘Brussel’.
Onzekerheid
Het bestuurlijke onvermogen van natiestaten en van democratieën wordt dagelijks bevestigd door talloze tegenvallers en onheilsberichten. Met grote gevolgen voor het (gemoeds)leven van mensen. Een geheel onbekommerde ervaring van vooruitgang is tegenwoordig waarschijnlijk een zeldzaam-heid. Temeer doordat vooruitgang voor de een steeds duidelijker samengaat met achteruitgang voor een ander, ook al is die ander meestal anoniem en vele kilometers of generaties verwijderd. Zorgeloosheid, blijdschap of trots raken schaars en vluchtig. Evenals het gevoel van ‘grip’ op het eigen leven, zoals de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid het noemt (WRR, 30-11-2023). Vandaag de dag is onzekerheid de overheersende emotie. In velerlei gradaties en materiële of immateriële varianten. En met velerlei getroffenen, van jong tot oud, van straatarm tot steenrijk en van individuen tot landen. Tekenend is een fotoserie van graffiti die enkele jaren geleden in en rond Amsterdam verschenen met de tekst ‘iedereen is onzeker’ (VK, 14-08-2025). Saillant detail: niemand kent de maker(s).
Hoe meer onzekerheid, hoe groter het verlangen naar een entiteit die het best en snelst die onzekerheid kan wegnemen. Daarom is de gebruikelijke reactie op een falende natiestaat heel anders dan op een falende democratie. Het vertrouwen in de natiestaat (immers een altijd relatief solide lijkend bolwerk van macht en geweldsbevoegdheden) blijft groot, terwijl het vertrouwen in de democratie (met al haar moeizaam gedebatteer) snel afbrokkelt. Zelfs de zwakste natiestaat is ogenschijnlijk een aantrekkelijker reddingsboei dan de sterkste democratie. Maar schijn bedriegt. Tot dusver zijn natiestaten noch democratieën sterk genoeg gebleken om grote problemen (bijvoor-beeld rondom voedsel of water) te voorkomen. En beide om dezelfde reden: bij onzekerheid zoeken natiestaten en democratieën doorgaans vooral een reddende entiteit die een particulier belang dient in plaats van een gemeenschappelijk belang.
De ruileconomie
Niet alleen natiestaten en democratieën kunnen zo zelfzuchtig zijn. Individuen, bedrijven, en andere maatschappelijke actoren evengoed. En allemaal louter voor zichzelf en/of een exclusieve kring van ‘naasten’. Deze algemene zelfzucht is inherent aan onze economie die gebaseerd is op bezit en de formule ‘Voor wat hoort wat’, kortweg: op ruilen. Kapitalisme en geld zijn momenteel daarvan de meest gangbare exponenten. Feodalisme en belastingen in natura zijn oudere exponenten.
De ruileconomie wordt dikwijls geroemd als toonbeeld van doelmatigheid, keuzevrijheid en samenwerking. Strikt-ideologisch lijkt dat ook terecht. Zo wijst historicus Yuval Harari erop dat niets door zovelen wordt geloofd als het verhaal over onze bankbiljetten waarvan de materiele waarde nihil is en die toch overal ruilbaar zijn (‘Sapiens’, 2017). Maar als we iets verder kijken dan alleen de kracht van verhalen, dan zijn in de ruileconomie kwaliteiten als doelmatigheid, keuzevrijheid en samenwerking ver te zoeken. Ruilen impliceert een markt van vraag en aanbod en díe bepaalt wie iets bezit om er aan te kunnen deelnemen én met welke producten of diensten. Daardoor telt de ruilwaarde van producten of diensten vele malen zwaarder dan hun gebruikswaarde. Dat getuigt niet erg van doelmatigheid en leidt eerder tot een enorme verspilling van tijd, energie en grondstoffen. Evenmin getuigt de ruileconomie van veel keuzevrijheid. Deelname aan de markt is voor actoren beslist geen keuze maar een verplichting en zelfs een voorwaarde voor overleving, ofschoon niet voor iedereen in dezelfde mate: altijd bestaan er verschillen in de onderhandelings-positie en -vaardigheid van ruilpartners en opheffing of vermindering daarvan vormen in ruilsituaties doorgaans geen gezamenlijk doel, zodat ruilen de ongelijkheid tussen ruilpartners eerder vergroot dan verkleint. En wie volgens diezelfde ‘wetten’ van de markt de pech heeft over niets ruilbaars te beschikken, moet maar afwachten wat marktdeelnemers buiten zichzelf en hun naasten nog aan anderen gunnen. Maar dat zijn hoogstens de ‘restjes’ omdat die deelnemers verwikkeld zijn in een hevige onderlinge strijd waarmee ze het al lastig genoeg hebben. Op de markt zijn actoren structureel elkaars concurrenten die incidenteel elkaar gebruiken ter behartiging van een particulier belang en niet of nauwelijks een gemeenschappelijk belang. Vandaar dat in de ruileconomie gemeenschappelijke belangen schromelijk worden verwaarloosd en dat van een serieuze samenwerking geen sprake is.
Stuurloze groei
Omdat geld tegen (haast) alles te ruilen valt, vervult het een cruciale rol bij het faciliteren van de ruileconomie. Geld zorgt ervoor dat de markt voor deelnemers toegankelijk is: het stelt hen in staat tot het creëren en verkopen van iets verhandelbaars (een product of dienst) dan wel tot aankoop daarvan. Tegelijk maakt het deelnemers, plus hun naasten, extreem afhankelijk van de markt. Aldus is geld, naast een voor marktactoren uitermate effectief ruilmiddel, tevens een uitermate effectief bindmiddel dat álle maatschappelijke actoren (haast) onlosmakelijk aan de markt verbindt. En zo aan alle (on)mogelijkheden die daaruit volgen.
Inmiddels is geld in de ruileconomie zo onmisbaar dat het, om de productie en consumptie van goederen en diensten draaiend te houden, steeds opnieuw beschikbaar moet zijn. Steeds opnieuw moet er geld worden gegenereerd uit nóg meer productie en consumptie, nóg grotere winsten of nóg meer leningen. En daarom moet volgens een algemeen gehuldigde opvatting een economie te allen tijde blijven groeien, waarbij groei (niet toevallig) gemeten wordt aan het Bruto Binnenlands Product. Economische groei krijgt zelfs de status van een absolute noodzaak, zoge-naamd omwille van ‘ieders’ welbevinden. En dan is er veel geoorloofd. Desnoods lopen schulden torenhoog op, creëert de commercie alsmaar nieuwe behoeften, neemt de ongelijkheid toe, raken grondstoffen uitgeput, blijven veel mensen en andere levensvormen rechteloos en wordt het voort-bestaan van al het leven ernstig bedreigd. Ondanks dat blijft groeidwang het uitgangspunt van veel (overheids)beleid. Onze ruileconomie dendert, op wat kleine aanpassingen na, onveranderd door in een vast patroon van stuurloze groei.
Een andere bouwsteen
Hoe nu verder? De bestuurscrisis waarin natiestaten, democratieën en de ruileconomie ons hebben gebracht, lijkt onoplosbaar. Toch zijn er wel degelijk kansen op een oplossing. Daarbij is de democratie doorslaggevend. Bij elke systeemverandering is zij de best denkbare bestuursvorm. Wat technocratieën of autocratieën eventueel aan ‘veranderingen’ bieden, stelt naderhand dikwijls teleur en weegt sowieso nooit op tegen alle machtsconcentratie, angst en onderdrukking die ervoor noodzakelijk zijn en blijven. Alleen een democratie kan zonder geweld(sdreiging) bereiken dat veranderingen voldoende draagvlak hebben, ook voor langere tijd. Desondanks zullen de huidige democratieën zich aanzienlijk moeten verbeteren. Met name wat betreft spreiding van macht en gezamenlijke waarden. Het is echter onwaarschijnlijk, zie alleen al de actuele (geo)politiek, dat democratieën zich op deze punten ook kúnnen verbeteren zolang zij in het keurslijf zitten van het statenstelsel. Dit vraagt om een radicaal andere wereldorde, namelijk één waarin niet de natiestaat de meest soevereine bestuurseenheid is maar een meer lokale bouwsteen. Daarmee zijn niet ineens alle problemen de wereld uit, maar het zou wel alvast een grote stap betekenen richting machtsspreiding en een meer directe democratie met meer burgerparticipatie.
Een andere economie
Verbetering van democratieën vergt echter, naast vervanging van de natiestaat door een radicaal andere bouwsteen, evenzeer vervanging van de ruileconomie door een radicaal andere economie: de deeleconomie. Deeleconomieën kennen geen bezit, ruilmiddelen of markten, dus ook geen particuliere belangen, een van ruilen uitgesloten onderklasse of concurrentie. Hierdoor zijn pro-ductie en consumptie volledig af te stemmen op het delen van goederen en diensten ten behoeve van gemeenschapsbelangen, ofwel het welzijn van alle gemeenschapsleden. En daarmee biedt een deeleconomie op elk van de eerdergenoemde kwaliteiten heel wat betere vooruitzichten dan een ruileconomie. Zij sluit veel nauwkeuriger aan op ieders behoeften (doelmatigheid), ieders wensen omtrent deelname (keuzevrijheid) en ieders kennis en vaardigheden (samenwerking). Voorwaarde is wel dat belangrijke besluiten over productie en consumptie worden genomen in gezamenlijk overleg, zonder hiërarchie en machtsverschillen. Kortom: democratie, lokaal bestuur en de deel-economie versterken elkaar. Mogelijk dusdanig dat er voor de huidige bestuurscrisis een uitweg ontstaat.
Aanzetten
Enkele belangrijke aanzetten daartoe zijn al aanwezig. Eén daarvan is een internationale beweging (in Nederland onder andere vertegenwoordigd door ontgroei.nl) die zich keert tegen de huidige economische groeidwang. Economisch antropoloog Jason Hickel behoort tot de belangrijkste woordvoerders van deze beweging. Wat hij bepleit zou men ‘selectieve ontgroei’ kunnen noemen: vermindering van de totale groei via een groeistop voor destructieve sectoren en groeibevordering voor constructieve sectoren (NRC, 03-10-24).
Een andere aanzet bestaat uit allerlei kleinschalige woon- en/of werkgemeenschappen waarbij mensen bewust kiezen voor een lokale vorm van samenwerking, bijvoorbeeld op gebied van voedselvoorziening. In deze ‘commons’, zoals ze dikwijls worden genoemd, wonen en/of werken mensen volgens idealen als gezamenlijke besluitvorming, gedeeld eigendom, zelfvoorziening en duurzaamheid. Veel commons maken deel uit van een eigen netwerk zoals Commons Network.
Ook wordt een aanzet gegeven door initiatieven als Stichting BD Grondbeheer die ten behoeve van natuurvriendelijke landbouw stukken grond koopt en juridisch onttrekt aan de moge-lijkheid tot doorverkoop. Deze grond is haar ruilwaarde kwijt en heeft enkel nog gebruikswaarde.
Deze aanzetten zijn voor het verminderen van de bestuurscrisis van groot belang maar niettemin nog sterk afhankelijk van geld. De meeste, zo niet alle, Nederlandse commons maken gebruik van een intern en/of extern ruilsysteem gebaseerd op geld of een soort geld. Daarnaast zijn voor de bevordering van constructieve sectoren, evenals voor de aankoop van grond, nog steeds grote financiële investeringen vereist. Deze geldafhankelijkheid bestendigt slechts de ruileconomie en zal pas verdwijnen als geld verdwijnt.
Geldloze commons
En dat kan! Namelijk door de drie aanzetten te bundelen. Commons hebben daarbij een sleutelrol. Althans commons waarvan de leden een gemeenschap vormen die zich houdt aan de volgende principes: duurzaamheid, basiszorg voor alle leden, gelijkwaardigheid, democratische besluit-vorming én afzien van geld en bezit. Vanwege het laatste noemen we zulke gemeenschappen hier ‘geldloze commons’ en hun ontwikkeling ‘geldloze bloei’.
Hoeveel leden een common telt, hangt af van hoe en met wie de leden verwachten die principes te kunnen realiseren. Ook bepalen zij welk gebied (qua locatie, grootte, en fysische gesteldheid) hen daartoe voldoende geschikt lijkt. Bij wijze van selectieve ontgroei wordt het gekozen gebied door de commonleden en/of anderen aangekocht. De common krijgt dat gebied niet in bezit maar in bruikleen. Overeenkomstig de aanpak door Stichting BD Grondbeheer, wordt juridisch vastgelegd dat de common het gebied nooit mag verkopen. Dit betekent dat de betref-fende grond in feite is onteigend en dat het betaalde aankoopgeld als het ware in de grond is weggesijpeld. Tevens betekent het dat het gekozen gebied voor de common geen enkele reden (lees: schuld) vormt om geld te moeten genereren. Verder wordt juridisch vastgelegd dat een common over het gebied volledige soevereiniteit heeft. In deze benadering ontwikkelen bouw-stenen voor de wereldorde zich niet, zoals gebruikelijk bij staats(om)vorming, middels machts-concentratie en het recht van de sterkste maar middels een bewust geplande machtsspreiding en het recht op naleving van bepaalde bewust gekozen waarden.
Over belangrijke kwesties, met name rond productie en consumptie, nemen de common-leden gezamenlijke besluiten. De uitvoering daarvan gebeurt door coöperatie. Dat wil zeggen: door arbeid die geheel vrijwillig wordt verricht ten behoeve van een gemeenschapsbelang, altijd in samenwerking met anderen en altijd zonder enig ruilmiddel of vereiste tegenprestatie. Arbeid die de commonleden nodig maar onaantrekkelijk vinden, wordt onder hen verdeeld.
Geldloze bloei
Elke common heeft principieel de plicht te voldoen aan de basisbehoeften van alle leden. Daartoe is zelfvoorziening door de common weliswaar geen plicht maar een dringend advies. Niet omdat volledige zelfvoorziening, gesteld al dat het haalbaar is, een wenselijk doel zou zijn. Wel omdat het streven naar zelfvoorziening de common helpt bij andere doelen. Zo bevordert het, evenals een goed functionerende democratie, een gevoel van controle over het eigen leven. Daarnaast bevordert het gedragspatronen die rekening houden met lokaal-ecologische omstandigheden. Denk aan circulaire of regeneratieve productie en aan vermindering of aanpassing van consumptie. Sowieso maakt zelfvoorziening productie- en consumptieprocessen inzichtelijker, dus controleerbaarder. Maar eigenlijk is élk vraagstuk gebaat bij een streven naar zelfvoorziening. Het stimuleert com-mons tot een optimaal gebruik van interne coöperatiemogelijkheden en eigen inventiviteit. Vooral doordat de afwezigheid van geld het simpelweg kopen van ‘oplossingen’ uitsluit.
Wanneer een common (nog) niet of niet meer door zelfvoorziening kan tegemoetkomen aan een belangrijke behoefte, is externe hulp noodzakelijk. Indien mogelijk wordt deze geboden door een andere geldloze common. En anders, op gangbare wijze, door een publieke of private hulpgever wiens hulp bestaat uit een goed of dienst waarin eerder (veel) geld is geïnvesteerd. Zoals bij de grondaankoop keert dit geld niet meer terug in het financiële circuit doordat een geldelijke tegen-prestatie door geldloze commons principieel en praktisch onmogelijk is. In al dit soort situaties sluiten selectieve ontgroei en ‘wegsijpeling’ van geld op elkaar aan.
Ook bij externe hulp is het streven naar zelfvoorziening door de common dringend geadvi-seerd, zodat hulp bijvoorbeeld niet bestaat uit een kant-en-klaar product maar uit kennis om het te kunnen maken. Op deze wijze raakt een common minder afhankelijk van hulp, waaronder alle hulp die een geldinvestering vergt. Aldus wordt geld voor de betreffende common gaandeweg steeds meer overbodig. En tegelijk voor de maatschappij als geheel, althans wat betreft hulp aan com-mons. Naarmate geldloze commons zich verder ontwikkelen, in aantal toenemen en elkaar de nodige externe hulp kunnen bieden, vermindert het nut van geld. Wat betreft omvang en econo-misch belang verschuift de verhouding tussen het geldafhankelijke en het geldonafhankelijke deel van de wereld steeds meer van het eerste naar het tweede. Anders gezegd: het is een geleidelijke transitie van stuurloze groei naar geldloze bloei.
De uitwerking
In ‘Een wereld zonder geld en bezit’ is nader beschreven hoe deze transitie gestalte zou kunnen krijgen (van Beusekom en Huybregts, 2024). Onder meer wordt ingegaan op enkele psychosociale factoren die erbij een rol spelen en op de beoogde coöperatie tussen geldloze commons binnen een niet-hiërarchisch georganiseerd maar mogelijk wereldwijd netwerk. Evengoed vragen deze en nog vele andere kwesties om een verdere uitwerking.
Hoe dan ook staat vast dat deze transitie veel tijd, durf en doorzettingsvermogen vergt. Allereerst van elke gemeenschap die zich tot een geldloze common wil ontwikkelen. Maar ook van eenieder die niet zelf dat avontuur wenst aan te gaan maar wel anderen erbij wil helpen. Bijvoor-beeld door het bieden van externe hulp die bijdraagt aan het zelfvoorzienende vermogen van een common. Of door allerlei vormen van ‘micro-activisme’, bestaande uit kleine maar broodnodige acties waarmee iemand de wereld alvast een beetje duurzamer en socialer kan maken, bijvoorbeeld zoals Amber Dujardin beschrijft (Trouw, 01-01-2026). Daarnaast door aansluiting bij een van de vele samenwerkingsverbanden die, eveneens gericht op duurzame en sociale veranderingen, tegen-woordig in diverse landen sterk in opkomst zijn. Zie voor een uitgebreid overzicht van zulke initiatieven in Nederland: ‘Voorlevers van de nieuwe samenleving’ (Jelleke de Nooy van Tol, 2025).
Om geldloze commons een reële kans op bloei te geven is echter, naast externe hulp, individuele acties of collectieve initiatieven, nog heel wat meer nodig. Zeker in de beginfase van de transitie hangt veel af van een langdurige en breed gedragen politieke strijd die nu eenmaal onver-mijdelijk is om bestaande democratieën van binnenuit te verbeteren en, indien nodig, verbeteringen ook juridisch te verankeren. Vermoedelijk is de weerstand hiertegen aanzienlijk, zoals te verwach-ten valt van een transitie richting machtsspreiding in plaats van machtsconcentratie, commons in plaats van natiestaten, delen in plaats van ruilen, inclusiviteit in plaats van exclusiviteit en geld-onafhankelijkheid in plaats van geldverslaving. Maar de inzet van die politieke strijd is net zo aanzienlijk: bescherming van het leven in plaats van vernietiging van het leven en rechtvaardigheid in plaats van onrechtvaardigheid. Dit zou ieder van ons voldoende moeten motiveren om de strijd aan te gaan en, hoe gek het misschien ook klinkt, er ook van te genieten. Namelijk iedere keer als blijkt dat we door coöperatie onze onzekerheid en stuurloosheid kunnen verminderen.
Wil je reageren? Ga naar:
Maak jouw eigen website met JouwWeb